ECLI:NL:CRVB:2020:1465
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening bijstandsuitkering wegens niet gemelde op geld waardeerbare arbeid in snackbar
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en heeft in 2016 meerdere uren per week geholpen in de snackbar van zijn broer. Dit werd niet gemeld aan het college, ondanks dat het om op geld waardeerbare arbeid ging. Naar aanleiding van een anonieme tip voerde de gemeente een onderzoek uit, waarna het college besloot de bijstand over 2016 te herzien en €3.264,07 terug te vorderen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep stelde appellant zich op het standpunt dat het ging om een vriendendienst en niet om op geld waardeerbare arbeid. De Raad oordeelde echter dat de aard, omvang en het terugkerende karakter van de werkzaamheden wel degelijk op geld waardeerbare arbeid vormen.
De Raad benadrukte dat het niet melden van deze werkzaamheden een schending van de inlichtingenverplichting is. Omdat appellant geen controleerbare gegevens over de omvang van de werkzaamheden kon overleggen, mocht het college het inkomen schattenderwijs vaststellen op basis van vijf uur per week tegen het minimumloon. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de herziening en terugvordering van de bijstand worden bevestigd.