ECLI:NL:CRVB:2020:1462
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens schending inlichtingenverplichting bij bijstandsverlening
Appellant ontving sinds 2009 bijstand en werd onderzocht nadat bleek dat hij niet op het opgegeven uitkeringsadres woonde. Het college trok de bijstand in en vorderde kosten terug over de periode dat appellant niet op het adres verbleef. Tevens legde het college een boete op wegens schending van de inlichtingenverplichting, waarbij rekening werd gehouden met normale verwijtbaarheid en de draagkracht van appellant.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat verwijtbaarheid ontbrak, omdat hij problemen had met het ophalen van de sleutels van de woning en verwachtte dat zijn verblijf elders spoedig zou eindigen. De Raad oordeelde dat appellant dit niet aannemelijk had gemaakt en dat het gespreksverslag een ander beeld gaf: appellant had de sleutels overgedragen aan een derde die de woning gebruikte voor het draaien van 'balletjes', waarna de politie de sleutels innam en aan de woningbouwvereniging gaf.
De Raad vond de opgelegde boete evenredig en bevestigde de uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond had verklaard. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling. Het hoger beroep werd verworpen en de boete gehandhaafd.
Uitkomst: De boete wegens schending van de inlichtingenverplichting wordt bevestigd en het hoger beroep verworpen.