ECLI:NL:CRVB:2020:1449
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging Wajong-uitkering wegens arbeidsvermogen ondanks lichte verstandelijke beperking
Appellant, met een lichte verstandelijke beperking en gedragsproblematiek, ontving sinds 1993 een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Na invoering van de Wajong 2015 heeft het UWV vastgesteld dat appellant arbeidsvermogen heeft, wat leidde tot verlaging van zijn uitkering per 1 januari 2018.
De rechtbank oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten consistent zijn en dat appellant weliswaar beperkingen heeft, maar voldoende basale werknemersvaardigheden bezit en in staat is tot minimaal vier uur werk per dag. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet vier uur per dag belastbaar is, onderbouwde dit met medische gegevens en stelde dat zijn gedragsproblemen en fysieke klachten hem beperken.
De Raad volgde het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellant geen medische beperkingen heeft die verhinderen dat hij minimaal een uur aaneengesloten kan werken of vier uur per dag belastbaar is. Ook is appellant in staat tot planning, uitvoering van taken en het nakomen van afspraken. De klachten die appellant aanvoert, zoals astma, beperkte duimfunctie en incontinentie, zijn niet voldoende onderbouwd of dateren van na de datum van het besluit.
De Raad bevestigt daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank dat appellant arbeidsvermogen heeft en de verlaging van de Wajong-uitkering terecht is. Het verzoek om vergoeding van wettelijke rente wordt afgewezen.
Uitkomst: De verlaging van de Wajong-uitkering naar 70% van het minimumloon per 1 januari 2018 wordt bevestigd.