ECLI:NL:CRVB:2020:1429
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling diensttijdgratificatie bij ontslag op eigen verzoek van ambtenaar
Appellant, een ambtenaar, verzocht om uitbetaling van een (proportionele) diensttijdgratificatie na zijn ontslag op eigen verzoek op grond van artikel 94 van Pro het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). De minister weigerde dit verzoek bij besluit van 6 maart 2018, dat later werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond.
In hoger beroep stelde appellant primair dat hij recht had op een proportionele diensttijdgratificatie en subsidiair dat de hardheidsclausule toegepast moest worden om hem alsnog een gratificatie toe te kennen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat artikel 79, tweede lid, ARAR alleen voorziet in een gratificatie bij ontslag op grond van artikel 98, eerste lid, onder f, en niet bij ontslag op eigen verzoek volgens artikel 94.
De Raad vond geen uitzonderlijke omstandigheden die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen en concludeerde dat er geen sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard. Het beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een diensttijdgratificatie na ontslag op eigen verzoek.