ECLI:NL:CRVB:2020:1421
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van zorgvuldig medisch onderzoek en beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling
Appellant, laatstelijk werkzaam als financieel medewerker, meldde zich ziek wegens psychische klachten en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaarsbeoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en concludeerde dat appellant nog 65,20% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarop de uitkering per 25 maart 2017. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, stellende dat zijn beperkingen en medicatiegebruik onvoldoende waren meegewogen.
De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, dat de verzekeringsartsen alle relevante medische informatie hadden betrokken en dat er geen aanleiding was om aan de juistheid van hun conclusies te twijfelen. De rechtbank vond ook dat de arbeidskundige beoordeling van het UWV juist was en verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen onderschat waren, mede door agorafobie en medicatiegebruik, en dat hij niet voltijds kon werken. Hij overhandigde een arbeidsmedisch expertiserapport, verklaringen van zijn echtgenote en werkgever. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het medisch onderzoek. De Raad vond dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperkingen en therapeutische adviezen voldoende had meegewogen, en dat de incidentele aard van paniekaanvallen geen structurele duurbeperking rechtvaardigde.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellant en bevestigde de beëindiging van de Ziektewetuitkering. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Ziektewetuitkering terecht heeft beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn loon kan verdienen.