ECLI:NL:CRVB:2020:1371
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-vervolguitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante was sinds 2010 arbeidsongeschikt en ontving een WGA-vervolguitkering. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot onder de 35%, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellante voerde aan dat haar klachten onvoldoende waren onderzocht en dat zij vanwege het gebruik van een rolstoel en krukken niet in staat zou zijn de geselecteerde functies te vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de eerdere beoordeling. De verzekeringsartsen hadden geen medische redenen gevonden voor een urenbeperking of het gebruik van hulpmiddelen zoals een rolstoel.
De Raad concludeerde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat appellante met de vastgestelde beperkingen de geselecteerde functies kan vervullen. Er was geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WGA-vervolguitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-vervolguitkering terecht is beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%.