Uitspraak
19.384 WMO15, 19/386 WMO15
OVERWEGINGEN
26 mei 2017 het besluit van 12 augustus 2016 ingetrokken, voor zover daarbij aan appellant een pgb is verstrekt.
Centrale Raad van Beroep
Het college van burgemeester en wethouders van Bergen op Zoom verleende aan appellanten een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding en huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015. Na het faillissement van de zorgaanbieder trok het college de pgb's in omdat appellanten niet konden aantonen dat zij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde wijze uitvoerden. Dit betrof onder meer het ontbreken van zorgmappen en een goedgekeurde zorgovereenkomst, en het niet tijdig indienen van declaraties.
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellanten ongegrond en stelde dat het college terecht het pgb had ingetrokken op grond van artikel 2.3.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wmo 2015. Appellanten gingen in hoger beroep en voerden aan dat zij wel konden aantonen dat de ondersteuning was verleend en dat het college ten onrechte stelde dat declaraties niet tijdig waren ingediend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellanten voldoende procesbelang hadden, onder meer vanwege mogelijke toekomstige pgb-aanvragen. De Raad stelde vast dat appellanten geen stukken konden overleggen waaruit blijkt welke ondersteuning feitelijk is verleend en erkende dat er geen goedgekeurde zorgovereenkomst bestond. Daarom was het college bevoegd de pgb's in te trekken en werd het hoger beroep ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van het pgb wegens onvoldoende verantwoorde uitvoering van de taken.