ECLI:NL:CRVB:2020:1306
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bovenwettelijke uitkering wegens te late aanvraag na tijdelijk dienstverband
Appellant was tijdelijk in dienst bij een stichting en werd op 1 augustus 2016 ontslagen. Hij meldde zich op 23 mei 2016 ziek en ontving vanaf 2 augustus 2016 een ziektewetuitkering van het UWV. Op 15 februari 2018 diende hij een aanvraag in voor een bovenwettelijke uitkering op grond van de Ziekte- en arbeidsongeschiktheidsregeling voortgezet onderwijs (Zavo). Deze aanvraag werd afgewezen omdat deze niet binnen de wettelijk gestelde termijn van zeven dagen na het einde van het dienstverband was ingediend.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant niet had aangetoond dat hij redelijkerwijs niet in staat was de termijn na het einde van zijn dienstverband in acht te nemen. De Raad bevestigt dit oordeel en wijst erop dat appellant ondanks zijn ziekte wel in staat was een aanvraag bij het UWV te doen en dat de stichting niet verplicht was hem actief te informeren over de mogelijkheid van een Zavo-uitkering.
Appellant voerde aan dat zijn e-mail van 26 augustus 2016 een aanvraag betrof en dat zijn psychiater had onderbouwd dat hij niet tijdig kon aanvragen, maar deze argumenten werden verworpen. De Raad concludeert dat de aanvraag te laat was en dat de afwijzing terecht is. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd zonder toekenning van proceskosten.
Uitkomst: De aanvraag voor een bovenwettelijke uitkering werd afgewezen wegens te late indiening en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.