ECLI:NL:CRVB:2020:1250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag gemeentepas op grond van vermogen volgens Minimaregelingen
Appellante vroeg op 10 maart 2017 een gemeentepas aan op basis van de Minimaregelingen, maar het college wees deze aanvraag op 3 mei 2017 af vanwege haar vermogen dat boven de grens van artikel 34, derde lid, aanhef en onder a, van de Participatiewet ligt. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat haar vermogen voornamelijk bestond uit spaargelden opgebouwd tijdens bijstand, welke volgens artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van de Participatiewet niet als vermogen mogen worden aangemerkt.
De Raad oordeelde dat hij bevoegd is het geschil te behandelen ondanks het ontbreken van een wettelijke grondslag in de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, vanwege de sterke verwantschap met bepalingen over bijzondere bijstand. De Minimaregelingen worden beschouwd als buitenwettelijk begunstigend beleid, waarbij toetsing beperkt is tot consistentie van toepassing.
De Raad stelde vast dat de Beleidsregels alleen aansluiten bij de vermogensgrenzen van artikel 34, derde lid, van de Participatiewet en dat het niet vermelden van het tweede lid, aanhef en onder c, betekent dat spaargelden opgebouwd tijdens bijstand niet buiten beschouwing worden gelaten. Daarom is de afwijzing terecht en wordt de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een gemeentepas wegens overschrijding van de vermogensgrens wordt bevestigd.