ECLI:NL:CRVB:2020:125
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid college tot opschorting bijstand na niet verschijnen en niet overleggen bankafschriften bevestigd
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd na een melding van vermoedelijke fraude uitgenodigd voor een gesprek waarbij zij bankafschriften moest overleggen. Zij verscheen niet op het eerste gesprek, waarna het college haar recht op bijstand opschortte. Appellante leverde later deels de gevraagde gegevens aan en maakte bezwaar tegen de opschorting.
Het college hechtte geen waarde aan het bezwaar en verklaarde het niet-ontvankelijk, waarna de rechtbank dit bevestigde. In hoger beroep stelde appellante dat het college onrechtmatig had gehandeld door direct tot opschorting over te gaan zonder eerst een minder ingrijpend middel toe te passen.
De Raad oordeelde dat de opschorting een wettelijk toegelaten dwangmiddel is om medewerking af te dwingen en dat het college niet in strijd met het zorgvuldigheids- of evenredigheidsbeginsel heeft gehandeld. Er was geen reden om het besluit te herroepen of proceskosten toe te kennen. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: De opschorting van het recht op bijstand door het college is rechtmatig en het hoger beroep wordt afgewezen.