ECLI:NL:CRVB:2020:1213
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling mate arbeidsongeschiktheid volgens Wet WIA ondanks geschil over duurbelastbaarheid
Appellante was laatstelijk werkzaam als accountmanager en meldde zich ziek op 2 maart 2015. Het UWV stelde haar arbeidsongeschiktheid op 48,73% vast met ingang van 27 februari 2017 en kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, met name over de wijze waarop de duurbelastbaarheid in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) was vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en motiveerde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een afgewogen en individuele beoordeling had gemaakt, waarbij de Standaard duurbelastbaarheid niet dwingend voorschrijft dat de duurbelastbaarheid in vaste stappen van twee uur per dag moet worden vastgesteld. Offermans, een verzekeringsarts namens appellante, stelde dat de duurbelastbaarheid beperkt moest worden tot zes uur per dag, maar dit werd door de rechtbank niet gevolgd.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank volledig. De Raad benadrukte dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende redenen had gegeven om af te wijken van de vaste stappen in de Standaard en dat er geen aanleiding was voor een nadere urenbeperking in de FML. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de arbeidsongeschiktheid van appellante terecht heeft vastgesteld op 48,73%.