ECLI:NL:CRVB:2020:121
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijzondere bijstand voor schuldaflossing zonder zeer dringende redenen
Appellant heeft bijzondere bijstand aangevraagd om de roodstand op zijn bankrekening aan te zuiveren. Het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen wees de aanvraag af op grond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Participatiewet (PW), omdat appellant niet recht heeft op bijstand voor schuldaflossing tenzij zeer dringende redenen zich voordoen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien en dat de eis van zeer dringende redenen onjuist is. De Raad oordeelde dat appellant deze stellingen onvoldoende onderbouwde en dat de uitsluitingsgrond van artikel 13 PW Pro van toepassing is.
Daarnaast stelde appellant dat hij in hongersnood verkeert en dat het onthouden van bijstand het verbod op foltering schendt. Ook deze gronden faalden wegens gebrek aan onderbouwing. De Raad concludeerde dat geen acute noodsituatie of zeer dringende redenen aanwezig zijn die bijzondere bijstand rechtvaardigen.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor schuldaflossing wegens ontbreken van zeer dringende redenen.