ECLI:NL:CRVB:2020:1203
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging juiste vaststelling mate arbeidsongeschiktheid en WGA-vervolguitkering
Appellant, laatstelijk werkzaam als huismeester, meldde zich in 2012 ziek met lichamelijke klachten en ontving een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Na een wijziging in zijn gezondheidstoestand in 2016 werd een nieuw medisch onderzoek uitgevoerd, waarna het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid op 48,07% stelde en de WGA-vervolguitkering handhaafde.
Appellant maakte bezwaar tegen deze vaststelling en voerde aan dat zijn beperkingen waren toegenomen, met name door verergerde gehoorklachten en het Prikkelbare Darm Syndroom. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellant zijn stellingen niet met nieuwe medische gegevens onderbouwde.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten, maar de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de conclusies van de verzekeringsartsen betrouwbaar. De Raad vond dat de beperkingen niet waren onderschat en dat appellant medisch geschikt was voor de geselecteerde functies. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.