ECLI:NL:CRVB:2020:118
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstand op grond van onweerlegbaar rechtsvermoeden gezamenlijke huishouding na scheiding
Appellante is op 12 januari 2018 gescheiden van haar ex-echtgenoot X en vroeg op 27 februari 2018 bijstand aan op grond van de Participatiewet. Op haar aanvraagformulier gaf zij aan dat zij samen met X in dezelfde woning woonde in een kostgangers- of huurdersrelatie. Het college van burgemeester en wethouders van Midden-Groningen wees de aanvraag af op basis van het onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, vierde lid, van de Participatiewet.
De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde het besluit. In hoger beroep betoogde appellante dat het college ten onrechte artikel 3, vierde lid, van de Participatiewet toepaste, omdat dit artikel ziet op situaties waarin beide ex-echtgenoten bijstand aanvragen en dus beiden belanghebbende zijn. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de term 'belanghebbenden' in dit artikel betrekking heeft op personen die gezamenlijk hoofdverblijf voeren en dat het rechtsvermoeden ook geldt voor haar situatie.
De Raad stelde vast dat appellante en X in de beoordelingsperiode niet meer gehuwd waren, maar wel samenwoonden in dezelfde woning en dat zij korter dan twee jaar voor de aanvraag gehuwd waren. Dit brengt mee dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding van toepassing is, waardoor appellante niet als alleenstaande kan worden beschouwd en geen zelfstandig recht op bijstand heeft. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens het onweerlegbaar rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding.