Uitspraak
21 november 2019, 19/2510 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag. De gemachtigde van appellant is meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting tot betaling van het griffierecht binnen gestelde termijnen, maar dit is niet nagekomen. Daarnaast bevatte het beroepschrift geen gronden, hetgeen ook binnen de gestelde termijnen niet is hersteld ondanks herhaalde verzoeken.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het griffierecht verschuldigd is en dat het ontbreken van beroepsgronden een formeel gebrek vormt. Omdat appellant niet aan deze vereisten heeft voldaan, is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling.
Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 juni 2020. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken.
Uitkomst: Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht en ontbreken van beroepsgronden.