ECLI:NL:CRVB:2020:113
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering vangnetter zonder werkgever bevestigd
Appellant, een vangnetter zonder werkgever, maakte bezwaar tegen de beslissing van het UWV om zijn Ziektewetuitkering per 17 maart 2017 te beëindigen, omdat hij geschikt werd geacht voor zijn laatst verrichte werk als industrieel schoonmaker. De rechtbank Oost-Brabant verklaarde het beroep ongegrond. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overwoog dat bij vangnetters zonder werkgever alleen bijzondere verzwarende aspecten buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de beoordeling van het laatst verrichte werk, terwijl verlichtende aspecten wel betrokken moeten worden. Het UWV had deze uitgangspunten correct toegepast en zorgvuldig beoordeeld welk werk appellant feitelijk laatstelijk had verricht, inclusief de verlichtende aspecten.
Appellants betoog dat verlichtende aspecten bij de beoordeling betrokken moeten worden, leidde niet tot een gunstiger uitkomst. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen. De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing tot beëindiging van de Ziektewetuitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de Ziektewetuitkering en wijst het hoger beroep af.