ECLI:NL:CRVB:2020:1101
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij beëindiging Ziektewetuitkering wegens onvoldoende spoedeisend belang
Verzoekster, voormalig administratief medewerker, meldde zich in februari 2018 ziek met psychische klachten en ontving toen een WW-uitkering. Vanaf mei 2018 kreeg zij een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 6 maart 2019 omdat verzoekster volgens onderzoek meer dan 65% van haar oude loon kon verdienen in andere functies.
Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van verzoekster tegen het besluit eveneens ongegrond. Verzoekster stelde hoger beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening om de Ziektewetuitkering met terugwerkende kracht te hervatten in afwachting van het hoger beroep.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen sprake was van onverwijlde spoed. Verzoekster had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij door het beëindigen van de uitkering in een onhoudbare financiële situatie was gekomen, mede omdat zij nog een WW-uitkering ontving die binnenkort zou eindigen en zij geen inzicht gaf in de financiële situatie van haar echtgenoot. Ook was niet aannemelijk gemaakt dat zij geen andere uitkering zou kunnen krijgen.
De voorzieningenrechter besloot daarom het verzoek af te wijzen en wees op de uitzonderlijke omstandigheden rond de coronapandemie waardoor de uitspraak zonder zitting werd gedaan.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed.