Appellant ontvangt bijstand en is in het kader van re-integratie geplaatst in een proefplaatsing bij een werkgever. Tijdens dit traject moet hij voldoen aan arbeidsverplichtingen en actief meewerken aan het traject. Appellant verscheen niet op het werk en beëindigde het traject voortijdig na conflicten en bedreigende uitlatingen.
Het college legde een maatregel op door de bijstand met 100% te verlagen voor één maand, omdat appellant het verkrijgen, aanvaarden of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid belemmerde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat de maatregel onterecht was en dat de grondslag onjuist was.
De Raad oordeelde dat een proefplaatsing met behoud van bijstand geen algemeen geaccepteerde arbeid is, maar een voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het voortijdig beëindigen van de proefplaatsing is niet meewerken aan deze voorziening. De maatregel is daarom terecht opgelegd. De Raad verwierp ook het verweer dat een lagere maatregel van 50% had moeten worden toegepast.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en veroordeelde het college in de proceskosten van appellant. De vergoeding van griffierechten werd eveneens toegekend.