ECLI:NL:CRVB:2019:970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging arbeidsongeschiktheidspercentage en passendheid functies bij WAO-uitkering
Appellant ontvangt sinds 1998 een WAO-uitkering en heeft naast deze uitkering als taxichauffeur gewerkt. Na toename van rugklachten meldde appellant zich in 2015 toegenomen arbeidsongeschikt en stelde dat hij maximaal tien uur per week kon werken. Het UWV stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 32,24% en later op 45 tot 55%.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen het besluit van het UWV deels gegrond en vernietigde het besluit, maar verklaarde het bezwaar tegen latere besluiten niet-ontvankelijk dan wel ongegrond. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en voerde aan dat de functie van taxichauffeur passend bleef en dat zijn urenbeperking verdergaand moest zijn.
De Raad oordeelde dat er onvoldoende medische gronden waren om de beperking tot tien uur per week te onderbouwen. De verzekeringsartsen hadden zorgvuldig onderzoek gedaan en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst waren juist vastgesteld. Er waren geen nieuwe medische gegevens ingediend die het standpunt van appellant ondersteunden.
De Raad vond dat de geselecteerde functies passend waren en dat appellant deze kon vervullen. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het griffierecht dat appellant betaalde in beroep en hoger beroep werd door het UWV vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd; appellant kan passend werk verrichten voor 20 uur per week.