ECLI:NL:CRVB:2019:94
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging schuldig-nalatigverklaring voor niet betalen AOW-premie over 2008-2011
Appellante werd door de Sociale verzekeringsbank (Svb) schuldig nalatig verklaard voor het niet betalen van AOW-premies over de jaren 2008 tot en met 2011, met percentages variërend van 50% tot 83%. Dit volgde op navorderingsaanslagen van de Belastingdienst die aangaven dat premies en inkomstenbelasting niet waren voldaan. De rechtbank Limburg verklaarde het bezwaar van appellante tegen deze besluiten ongegrond.
In hoger beroep voerde appellante aan dat ernstige gezinsproblemen en onwetendheid over teruggevorderde premies haar niet konden worden verweten, en dat de voorlopige teruggaven betrekking hadden op andere zaken dan de premies. De Raad overwoog dat de bewijslast bij appellante lag om aan te tonen dat het niet betalen niet aan haar kon worden toegerekend.
De Raad oordeelde dat de niet-betaling voortkwam uit de terugvordering van voorlopige teruggaven en dat de persoonlijke omstandigheden onvoldoende waren om het niet betalen niet aan appellante toe te rekenen. Tevens werd benadrukt dat fouten of nalatigheden van een gemachtigde voor rekening van appellante komen. De Raad bevestigde daarom het standpunt van de Svb en de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de schuldig-nalatigverklaring voor het niet betalen van AOW-premies over 2008-2011 wordt bevestigd.