ECLI:NL:CRVB:2019:923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde vermogensbestanddelen en werkzaamheden
Appellant ontving bijstand van maart 2000 tot maart 2014, welke werd ingetrokken vanwege niet meewerken aan een huisbezoek. In mei 2014 vroeg hij opnieuw bijstand aan, met vermelding van een stage, maar gaf geen vermogen aan. Later onderzoek, mede op basis van anonieme meldingen en een strafrechtelijk onderzoek, toonde aan dat appellant beschikte over €12.000,- uit de verkoop van een familiehuis en werkzaamheden als kapper verrichtte zonder dit te melden.
Het college trok de bijstand over twee perioden in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat het geld niet van hem was en dat het kapperswerk een stage betrof waarover hij had geïnformeerd. De Raad oordeelde dat appellant wel degelijk over het bedrag kon beschikken en dat hij de werkzaamheden niet schriftelijk had gemeld, ondanks de verplichting daartoe.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en oordeelde dat het niet melden van het vermogen en de werkzaamheden de rechtmatigheid van de bijstand aantastte. De eerdere melding van een stage in een ander kader ontsloeg appellant niet van zijn inlichtingenplicht. Het hoger beroep werd afgewezen zonder toewijzing van proceskosten.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde vermogensbestanddelen en werkzaamheden wordt bevestigd.