ECLI:NL:CRVB:2019:899
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling bevestigd
Appellante, werkzaam als voorvrouw schoonmaak, meldde zich in 2011 ziek met psychische klachten. Het UWV stelde in 2013 vast dat zij geen recht had op WIA-uitkering. Na diverse bezwaarprocedures en medische beoordelingen werd de WIA-uitkering per eind 2016 beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.
Appellante voerde in bezwaar en beroep aan dat haar beperkingen waren toegenomen en dat de medische beoordelingen onjuist waren. Zij stelde dat zij door het ontbreken van een onafhankelijke verzekeringsarts in bewijsnood verkeerde en verwees naar het arrest Korošec van het EHRM.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische onderzoeken door verzekeringsartsen van het UWV zorgvuldig waren verricht en dat appellante voldoende gelegenheid had gehad om haar standpunt te onderbouwen met medische stukken. De Raad vond geen aanwijzingen voor toegenomen beperkingen per 1 december 2014 en 29 augustus 2017 en onderschreef de functionele mogelijkhedenlijst (FML).
De rechtbank had de aangevallen uitspraken eerder bevestigd en de Raad volgde dit oordeel. Er was geen sprake van schending van het equality of arms-beginsel en de geselecteerde functies waren medisch geschikt. De hoger beroepen werden ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling.