Uitspraak
17.5711 WLZ
21 juli 2017, 16/4964 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, met een verstandelijke beperking, ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg in 2015. Het zorgkantoor keurde de zorgovereenkomsten van haar zorgverleners af, waarna appellante bezwaar maakte. Na meerdere besluiten en een eerdere uitspraak van de rechtbank, verklaarde het zorgkantoor het bezwaar deels gegrond en deels ongegrond.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij gerechtvaardigd vertrouwen had dat ook de zorgovereenkomst van een van haar zorgverleners zou worden goedgekeurd, omdat anderen zonder goedkeuring waren uitbetaald. Tevens stelde zij dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenveroordeling toekende.
De Raad oordeelde dat het feit dat sommige zorgverleners zonder goedkeuring zijn uitbetaald onvoldoende was om het vertrouwen van appellante te rechtvaardigen dat ook de zorgovereenkomst van de betreffende zorgverlener zou worden goedgekeurd. Wel oordeelde de Raad dat appellante terecht beroep had ingesteld en dat het zorgkantoor in beroep erkende dat de kosten van bezwaar ten onrechte niet waren vergoed. Hierdoor moest het zorgkantoor alsnog worden veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep en hoger beroep.
De Raad vernietigde het bestreden vonnis voor zover de proceskosten niet waren vergoed en veroordeelde het zorgkantoor tot betaling van in totaal € 2.048,- aan proceskosten en € 170,- aan griffierecht.
Uitkomst: Het zorgkantoor wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep.