ECLI:NL:CRVB:2019:886
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.H. Bangma
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij ontheffing en opheffing functie ambtenaar
Appellant was werkzaam bij het Ministerie van Justitie en Veiligheid, laatstelijk als [naam functie 1] binnen een penitentiaire inrichting en vervulde daarnaast werkzaamheden als [naam functie 2] van een commissie. In september 2015 werd hij met onmiddellijke ingang ontheven uit zijn commissie-rol. Vervolgens werd zijn functie als [naam functie 1] in februari 2016 opgeheven vanwege een reorganisatie, waarna hij als VanWerkNaarWerk-kandidaat werd aangemerkt.
Appellant stelde bezwaar en beroep in tegen deze besluiten, maar stelde geen hoger beroep in tegen het oordeel van de rechtbank over de opheffing van zijn functie. Hierdoor staat deze opheffing in rechte vast. De minister verklaarde het bezwaar tegen de ontheffing uit de commissie-werkzaamheden niet-ontvankelijk en subsidiair ongegrond, en de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
De Raad overwoog dat procesbelang vereist is om tot inhoudelijke behandeling over te gaan. Omdat appellant zijn commissie-werkzaamheden niet meer kan uitoefenen, ook indien hij in het gelijk zou worden gesteld, en geen salarisvermindering of aantoonbare immateriële schade aannemelijk heeft gemaakt, ontbreekt het aan procesbelang.
Daarom verklaarde de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.