Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2015:3239

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 september 2015
Publicatiedatum
25 september 2015
Zaaknummer
14/2288 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens ontbreken procesbelang bij WIA-uitkering

Appellant ontving sinds 1999 een Wajong-uitkering en werkte 18 uur per week, waarbij inkomsten werden verrekend met zijn uitkering. Na uitval wegens klachten in 2011 stelde het UWV in 2013 vast dat appellant aanspraak maakte op een loongerelateerde WGA-uitkering met toeslag, waarbij de Wajong-uitkering werd aangepast.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard door de rechtbank. In hoger beroep betoogde appellant dat zijn arbeidsongeschiktheid duurzaam was en hij daarom recht had op een IVA-uitkering in plaats van WGA.

De Raad oordeelde dat appellant geen procesbelang had omdat de som van uitkeringen en toeslag gelijk blijft bij toekenning van IVA. Het hoger beroep diende slechts een principiële erkenning van zijn gezondheidstoestand, wat volgens vaste rechtspraak geen procesbelang oplevert.

De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank wegens het ontbreken van procesbelang en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

14/2288 WIA
Datum uitspraak: 11 september 2015
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van
25 maart 2014, 13/5502 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 juli 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant heeft vanaf 12 januari 1999 een uitkering ontvangen op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong), naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarbij heeft appellant werkzaamheden verricht als productiemedewerker voor 18 uur per week, waarvan de inkomsten in mindering werden gebracht op zijn Wajong-uitkering.
1.2.
Op 27 juni 2011 is appellant uitgevallen wegens fysieke en psychische klachten. Bij besluit van 22 mei 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 24 juni 2013 in aanmerking komt voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Wet WIA, aangevuld met een toeslag, met bepaling dat van de Wajong-uitkering van appellant alleen dat gedeelte wordt uitbetaald dat hoger is dan de WGA-uitkering.
1.3.
Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 22 mei 2013 is ongegrond verklaard bij besluit van 8 juli 2013 (bestreden besluit).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat het Uwv zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zijn arbeidsongeschiktheid weliswaar volledig, maar niet duurzaam is, zodat hem ten onrechte uitkering ingevolge de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) is onthouden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Appellant ontvangt een gedeeltelijke Wajong-uitkering, een WGA-uitkering en een toeslag. Niet in geschil is dat de hoogte van de som van uitkeringen en toeslag niet wijzigt in geval aan appellant de door hem verlangde IVA-uitkering in plaats van de hem toegekende WGA-uitkering wordt verstrekt. In het licht hiervan is het de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een beoordeling van de aangevallen uitspraak.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad is sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het (hoger) beroepschrift met het indienen van het (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Daarbij heeft de Raad meermalen uitgesproken dat hij is geroepen tot beslechting van geschillen en niet tot beantwoording van uitsluitend principiële vragen (bijvoorbeeld zijn uitspraak van 24 april 2013, zie ECLI:NL:CRVB:BZ8357).
4.3.
Niet kan worden gesteld dat er voor appellant nog enig procesbelang is. Appellant heeft ter zitting desgevraagd te kennen gegeven dat de reden om hoger beroep in te stellen is gelegen in het verkrijgen van een uitspraak van de Raad over de vraag of in zijn geval al dan niet sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft daarbij te kennen gegeven dat dit een principiële vraag voor hem is, waarbij een bevestigend antwoord daarop een erkenning zou betekenen van zijn gezondheidstoestand. In het licht van het aangehaalde onder 4.2 kan hierin echter geen procesbelang gelegen zijn. Het ter zitting door appellant gevoerde betoog, dat hij belang heeft bij een IVA-uitkering omdat hij in dat geval voor de toekomst gevrijwaard zou zijn van de kans op herkeuring en mogelijk daaruit voortvloeiende
re-integratieverplichtingen, berust op een onjuiste vooronderstelling waaraan evenmin een relevant procesbelang kan worden ontleend.
4.4.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak miskend dat geen sprake is van procesbelang en de zaak van appellant ten onrechte inhoudelijk beoordeeld. Dit brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaren.
4.5.
Voor een vergoeding in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • bepaalt dat de griffier aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van
€ 122,- terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en
G. van Zeben - de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Crum als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 september 2015.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) M. Crum

UM