ECLI:NL:CRVB:2019:881
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vergoeding huishoudelijke hulp wegens ontbreken medische noodzaak
Appellant, geboren in 1950, diende een aanvraag in voor een vergoeding op grond van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) voor huishoudelijke hulp. De aanvraag werd afgewezen omdat het psychisch oorlogsletsel niet heeft geleid tot arbeidsongeschiktheid en de gevraagde voorziening medisch niet noodzakelijk werd geacht.
In beroep stelde appellant dat zijn slaapproblemen door psychische klachten hem verhinderen het huishouden naar behoren te doen, en dat de vergoeding ten onrechte werd geweigerd. De Raad baseerde zich op medisch advies van een geneeskundig adviseur en een persoonlijk onderhoud met een arts, waarbij geen energetische beperkingen werden vastgesteld.
De Raad concludeerde dat appellant huishoudelijke taken verricht en sociaal actief is, en dat de medische gegevens geen steun bieden voor de stelling van energetische beperkingen. Ondanks een formeel gebrek in de motivering van het besluit, werd dit in stand gelaten omdat appellant hierdoor niet benadeeld wordt. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de vergoeding voor huishoudelijke hulp blijft in stand.