ECLI:NL:CRVB:2019:834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens geen toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellante, die sinds september 2012 arbeidsongeschikt is, verzocht om een WIA-uitkering wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV had eerder vastgesteld dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering op grond van onvoldoende toename van beperkingen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de conclusie van het UWV voldoende was onderbouwd.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd en onvoldoende rekening had gehouden met een brief van een revalidatiearts. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV een zorgvuldig medisch onderzoek had verricht, waarbij ook de door appellante ingebrachte medische stukken waren betrokken. De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de rechtbank.
De Raad benadrukte dat de medische beperkingen vergeleken werden met de situatie bij het einde van de wachttijd en dat de informatie van de revalidatiearts en huisarts onvoldoende aanknopingspunten bood voor een toename van de arbeidsongeschiktheid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid.