ECLI:NL:CRVB:2019:813
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering IVA-uitkering wegens niet-duurzame volledige arbeidsongeschiktheid
Appellant, laatstelijk werkzaam als operator verpakkerij, meldde zich ziek vanwege nek- en rugklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 100%, maar wees een IVA-uitkering af omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen en gaf het UWV gelegenheid nader te motiveren waarom de beperkingen niet duurzaam waren.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep rapporteerde dat met multidisciplinaire behandeling en aanpassing van de levensstijl verbetering mogelijk was, waardoor de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam was. Appellant voerde aan dat de behandelingen niet reëel waren vanwege reisafstanden en dat hem een IVA-uitkering was toegezegd, maar deze stellingen werden niet bewezen.
De Raad oordeelde dat de beoordeling van duurzaamheid een concrete en deugdelijke afweging van feiten en omstandigheden vereist, en dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de beperkingen niet duurzaam waren. De toezeggingen door artsen konden niet worden vastgesteld en het feit dat behandelingen elders in het land beschikbaar zijn, maakt de afwezigheid van een lokale instelling niet relevant.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van een IVA-uitkering bevestigd.