ECLI:NL:CRVB:2019:809
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van juiste vaststelling arbeidsongeschiktheid bij WIA-uitkering ondanks ME/CVS klachten
Appellante, werkzaam als klantenservicemedewerkster, meldde zich ziek in 2014 en ontving een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 53%. Zij maakte bezwaar tegen deze vaststelling en stelde dat zij volledig arbeidsongeschikt was vanwege ME/CVS, met ernstige klachten zoals concentratieproblemen en extreme vermoeidheid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat de verzekeringsartsen de beperkingen niet te gering hadden vastgesteld en de medische rapporten van appellante onvoldoende objectieve onderbouwing boden. In hoger beroep voerde appellante aanvullende medische stukken aan, waaronder een rapport van de Landelijke Expertisebalie en een brief van cardioloog Van Campen.
De Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en oordeelde dat de aanvullende stukken geen aanleiding geven tot een ander oordeel. De medische beperkingen zijn adequaat vastgesteld, rekening houdend met ME/CVS, en de arbeidskundige beoordeling staat niet ter discussie. Het hoger beroep wordt daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd dat de arbeidsongeschiktheid correct is vastgesteld.