ECLI:NL:CRVB:2019:782
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling hoogte IOW-uitkering volgens dwingendrechtelijke bepalingen Wet IOW
Appellant vroeg op 7 februari 2017 een IOW-uitkering aan. Het UWV kende deze toe met ingang van 19 maart 2017, met een maandbedrag van €1.086,12. Appellant maakte bezwaar tegen de vastgestelde hoogte, maar dit werd door het UWV ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant eveneens ongegrond, stellende dat de hoogte van de uitkering voortvloeit uit dwingendrechtelijke bepalingen van artikel 48c en 10 van de Wet IOW.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat de grondslag voor de IOW-uitkering gelijk zou moeten zijn aan die van de WW-uitkering, en dat de hoogte van de IOW-uitkering gelijk zou moeten zijn aan die van de WW. Ook stelde appellant dat niet moest worden teruggegrepen op een inmiddels vervallen wet, maar op de tekst van artikel 10 van Pro de Wet IOW zoals die gold ten tijde van de aanvraag.
De Raad oordeelde dat het UWV het juiste wettelijke kader had toegepast, namelijk de oude wet zoals die luidde op 1 januari 2014. Bovendien zou toepassing van de nieuwe tekst geen hogere uitkering opleveren, omdat de uitkering in beide gevallen maximaal 70% van het wettelijk minimumloon bedraagt. De Raad wees erop dat de rechter niet de innerlijke waarde of billijkheid van de wet mag beoordelen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de hoogte van de IOW-uitkering bevestigd.