ECLI:NL:CRVB:2019:761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening ziekengeldbesluit na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant ontving sinds 9 februari 2012 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 25 tot 35%, waarbij hij geschikt werd geacht voor diverse functies, waaronder inpakker. In 2015 meldde appellant zich ziek met toegenomen klachten, waarna het UWV besloot het recht op ziekengeld te beëindigen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en geen nieuwe feiten de eerdere beoordeling tegenspraken.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn lichamelijke en psychische klachten waren verergerd, onderbouwd met medische stukken en een brief van zijn huisarts. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat deze stellingen grotendeels herhaling waren van eerdere gronden en dat de objectief medisch vastgestelde beperkingen sinds 2012 niet waren toegenomen. De diagnose slaapapneu in 2018 deed hieraan niet af, aangezien hiermee al rekening was gehouden in de eerdere beoordeling.
De Raad volgde het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant geschikt bleef voor ten minste één van de WAO-functies. Er was geen aanleiding om een deskundige in te schakelen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld bevestigd.