Uitspraak
17 6886 BBZ
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante en haar echtgenoot ontvingen bijstand op grond van de WWB en het Bbz 2004 in de vorm van een renteloze lening, waarbij het eigen vermogen hoger was vastgesteld dan 30% van het totale vermogen. Dit leidde ertoe dat de lening niet kon worden omgezet in een bedrag om niet. Appellante maakte bezwaar tegen de vaststelling van het leenbedrag en de wijze van vermogensbepaling, waarbij zij stelde dat de waarde van de woning en auto ten onrechte waren meegenomen en het eigen vermogen na afloop van het boekjaar had moeten worden vastgesteld.
De Raad oordeelt dat de beslissing over de omzetting van de lening reeds in de toekenningsbesluiten is genomen en in rechte vaststaat, zodat het bestreden besluit slechts een nadere concretisering van het leenbedrag betreft. De beroepsgrond dat het vermogen onjuist is vastgesteld, kan daarom niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd; het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.