ECLI:NL:CRVB:2019:73
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant werkte tot februari 2009 als inkoper snijbloemen en meldde zich in december 2010 arbeidsongeschikt vanwege fysieke klachten. Vanaf februari 2013 ontving hij een WIA-uitkering. Op 3 september 2014 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en beëindigde de uitkering per 4 november 2014. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit ongegrond, waarbij het rapport van de orthopedisch chirurg Zwartelé centraal stond. Deze deskundige voerde een uitgebreid onderzoek uit, inclusief röntgenonderzoek, en concludeerde dat appellant objectieve medische afwijkingen heeft maar medisch gezien geschikt is voor bepaalde functies. Zowel de verzekeringsartsen van het UWV als de deskundige van de rechtbank waren het hierover eens.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen aan schouders, knieën en rechterenkel groter waren dan vastgesteld. Hij overhandigde medische dossiers ter onderbouwing. Het UWV verwees naar recente rapporten van verzekeringsartsen die het eerdere oordeel bevestigen. De Raad oordeelt dat het oordeel van de onafhankelijke deskundige overtuigend is en dat de aanvullende medische gegevens geen aanleiding geven het standpunt te herzien.
De Raad concludeert dat appellant op 4 november 2014 medisch gezien in staat was om de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies te vervullen en ten minste 65% van zijn maatmaninkomen te verdienen. Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De WIA-uitkering is terecht beëindigd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geschikt voor geselecteerde functies.