ECLI:NL:CRVB:2019:725
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen doorzendplicht bij ontbreken geschil over woonplaats in bijzondere bijstand
Appellante had aanvragen ingediend voor bijzondere bijstand voor eigen bijdragen rechtsbijstand en griffierechten, welke door het college van burgemeester en wethouders van Weesp werden afgewezen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland waarin werd geoordeeld dat appellante geen recht had op bijzondere bijstand omdat zij niet woonachtig was in de gemeente waar de aanvraag werd ingediend.
Van 19 maart 2014 tot 14 december 2014 waren appellante en X als gehuwden aangemerkt, en op het moment van de aanvraag in juni 2016 gold het onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding, waardoor appellante niet als zelfstandig onderwerp van bijstand kon worden beschouwd. De aanvraag werd daarom terecht afgewezen.
Het college wees ook een latere aanvraag af wegens het ontbreken van woonplaats in de gemeente. De rechtbank stelde vast dat dit niet in geschil was, en dat het college de aanvraag niet hoefde door te zenden naar een ander bestuursorgaan. Appellante bracht dit geschil over woonplaats tijdens de zitting van de Raad opnieuw naar voren, wat in strijd is met de goede procesorde. De Raad verklaart de hoger beroepen ongegrond en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de aanvragen bijzondere bijstand wegens ontbreken woonplaats en wijst de hoger beroepen af.