ECLI:NL:CRVB:2019:724

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2019
Publicatiedatum
5 maart 2019
Zaaknummer
18/1359 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44 ParticipatiewetArt. 7:15 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek bijstandsverlening met terugwerkende kracht

De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep behandeld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam inzake de aanvraag van bijstand door appellant. De kern van het geschil betrof de vraag of bijstand met terugwerkende kracht kon worden verleend vanaf 22 juli 2016 in plaats van de toegekende datum 15 augustus 2016.

De rechtbank had geoordeeld dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren om af te wijken van het uitgangspunt dat bijstand niet wordt verleend voor de datum van daadwerkelijke aanvraag. Appellant had geen eerdere gewenste ingangsdatum ingevuld op het aanvraagformulier en zijn stelling dat het inloggen op het aanvraagsysteem eerder niet lukte, werd onvoldoende onderbouwd. Ook een ongedateerde foto bood geen bewijs.

De Raad onderschreef deze overwegingen en wees het verzoek om schadevergoeding af, mede omdat appellant niet tijdig alle gevraagde informatie had verstrekt, waardoor een bezwaarprocedure nodig was. Verder werd geoordeeld dat andere aangevoerde kwesties zoals WAO-, WIA- of IOAW-uitkeringen en ontslag buiten het bestreden besluit vallen en niet tot het dossier hoeven te worden toegevoegd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: De bijstand is terecht toegekend vanaf 15 augustus 2016 en het verzoek om terugwerkende kracht per 22 juli 2016 wordt afgewezen.

Uitspraak

18.1359 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 29 januari 2018, 17/3125 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Datum uitspraak: 19 februari 2019
Zitting heeft: J.N.A. Bootsma als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: J.M.M. van Dalen
Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. drs. M.A.C. Kooij.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Dit betekent dat de bijstand terecht met ingang van 15 augustus 2016 en niet al per 22 juli 2016 is toegekend.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De rechtbank heeft overwogen dat er geen bijzondere omstandigheden zijn om af te wijken van het uitgangspunt dat geen bijstand wordt verleend voor de datum waarop iemand zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen (artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet). Op het aanvraagformulier met meldingsdatum 15 augustus 2016 heeft appellant geen andere gewenste ingangsdatum ingevuld. Zijn stelling dat het inloggen op het aanvraagsysteem op
22 juli 2016 en daarna tot 15 augustus 2016 niet is gelukt en dat een medewerker van de sociale dienst dit had gezien, is niet genoeg om uit te gaan van een eerdere aanvraag. Ook uit een kopie van een ongedateerde foto blijkt niet dat het aanvraagsysteem het niet deed in de periode van 22 juli 2016 tot 15 augustus 2016. De Raad kan zich vinden in dit oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dit oordeel rust. Op de zitting bij de Raad heeft appellant nog gezegd dat de medewerker van de sociale dienst niet wil getuigen omdat hij bang is voor zijn baan.
De Raad is het ook eens met de rechtbank dat er geen reden is voor vergoeding van de kosten in bezwaar. Als appellant tijdig alle gevraagde informatie over de stortingen op zijn rekening en de ontvangen inkomsten uit huur had gegeven, had hij geen bezwaarprocedure hoeven voeren. Hij heeft deze kosten dus niet redelijkerwijs moeten maken en er is geen aan de gemeente te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht).
Wat appellant heeft aangevoerd over ondermijning van zijn rechten op een WAO-, WIA- of IOAW-uitkering, over ontslag en voorschotten op bijstand, gaat allemaal niet over zijn bijstandsaanvraag van 15 augustus 2016 en valt buiten het geding waarover de Raad kan oordelen. Daarom hoeft het dossier niet te worden aangevuld met processtukken over de WAO, WIA, IOAW, het ontslag en voorschotten. Het is ook niet nodig om daarover getuigen te horen. De Raad kan in deze zaak ook niet beslissen of oude zaken kunnen worden heropend.
Het hoger beroep slaagt niet.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J.M.M. van Dalen (getekend) J.N.A. Bootsma

IJ