Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:700

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 februari 2019
Publicatiedatum
4 maart 2019
Zaaknummer
17/3084 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor magazijnwerk

Appellant was magazijnmedewerker en meldde zich ziek met lichamelijke klachten. Het UWV stelde na medisch onderzoek vast dat appellant geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld per 3 november 2016. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV en de rechtbank.

In hoger beroep voerde appellant aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn HIV-infectie, sikkelcelanemie en hepatitis B, en dat de oorzaak van zijn vermoeidheid onvoldoende was onderzocht. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen medische stukken waren die het standpunt van appellant ondersteunden.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep had op duidelijke wijze gemotiveerd dat er geen medische redenen waren om aan te nemen dat appellant niet geschikt was voor het werk als magazijnmedewerker. De Raad zag geen reden om af te wijken van het oordeel van de rechtbank en bevestigde de uitspraak dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 28 februari 2019.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

17.3084 ZW

Datum uitspraak: 28 februari 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 maart 2017, 16/6862 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft drs. W. Hoebba, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2019. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als magazijnmedewerker voor 40 uur per week. Het
dienstverband is op 3 december 2013 geëindigd. Appellant heeft zich op 29 augustus 2016 ziek gemeld met lichamelijke klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.
1.2.
Op 30 september 2016 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts van het Uwv. Deze arts heeft appellant met ingang van 3 november 2016 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van magazijnmedewerker. Bij besluit van 3 oktober 2016 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant per 3 november 2016 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 november 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 november 2016 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat geen redenen aanwezig zijn om te oordelen dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd. Appellant heeft in beroep niet aannemelijk gemaakt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onjuist beeld had van zijn gezondheidstoestand op de datum in geding van 3 november 2016. Uit de medische stukken die appellant heeft ingediend komen onvoldoende aanknopingspunten naar voren om de juistheid van het medisch oordeel in twijfel te trekken. Niet is gebleken dat de belasting van de functie van magazijnmedewerker de mogelijkheden van appellant overschrijdt.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant opnieuw aangevoerd dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de HIV-infectie, de sikkelcelanemie en de hepatitis B, dan wel de chronische hepatitis. De verzekeringsartsen van het Uwv hadden informatie moeten inwinnen bij de internist. Ook is de oorzaak van de vermoeidheidsklachten van appellant onvoldoende onderzocht.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit
.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.
4.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en terecht geoordeeld dat deze niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag zijn gelegd worden geheel onderschreven.
4.3.
Daaraan wordt toegevoegd dat appellant ook in hoger beroep geen medische stukken heeft ingediend die zijn standpunt ondersteunen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op goed te volgen wijze uiteengezet dat geen medische redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat het werk als magazijnmedewerker niet geschikt zou zijn voor appellant. De Raad ziet geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.
5. De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van R.P.W. Jongbloed als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2019.