ECLI:NL:CRVB:2019:691
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling onevenredig zware last door verhoging AOW-leeftijd en toetsing OBR
Betrokkene, geboren in 1952, heeft een AOW-pensioen aangevraagd dat door de SVB werd afgewezen vanwege het niet bereiken van de AOW-leeftijd. Het bezwaar werd ongegrond verklaard omdat de SVB de verhoging van de AOW-leeftijd toepaste volgens artikel 7a AOW en de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). Betrokkene voerde aan dat zij door deze verhoging een onevenredig zware last droeg, maar de SVB stelde dat alleen wie aan de OBR-voorwaarden voldoet, recht heeft op compensatie.
De rechtbank vernietigde het besluit omdat de SVB slechts een beperkte toets aan de OBR-voorwaarden had verricht en onvoldoende rekening hield met individuele omstandigheden. In hoger beroep stelde de SVB dat zij inmiddels ook de inkomens- en vermogenspositie tijdens het AOW-gat in ogenschouw neemt. De Raad oordeelt dat de enkele toets aan de OBR-voorwaarden geen deugdelijk individueel feitenonderzoek is, maar dat de SVB in hoger beroep een zorgvuldige beoordeling heeft gedaan.
De Raad sluit zich aan bij de conclusie dat betrokkene geen onevenredig zware last draagt, mede omdat haar inkomen ruim boven de bijstandsnorm lag en zij zich sinds 2012/2013 op de wetswijzigingen kon voorbereiden. De rechtbank heeft het besluit terecht vernietigd wegens onvoldoende zorgvuldigheid, maar de Raad laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand omdat de SVB in hoger beroep alsnog een zorgvuldige beoordeling heeft verricht. De SVB wordt veroordeeld in de proceskosten van betrokkene.
Uitkomst: De Raad bevestigt de vernietiging van het besluit wegens onvoldoende zorgvuldigheid, laat de rechtsgevolgen in stand en veroordeelt de SVB in de proceskosten.