ECLI:NL:CRVB:2019:683

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 februari 2019
Publicatiedatum
28 februari 2019
Zaaknummer
16/7566 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen werk als scheepstimmerman

Appellant, werkzaam als scheepstimmerman, meldde zich op 2 januari 2012 ziek en ontving destijds een WW-uitkering. Het UWV stelde vast dat hij per 28 december 2014 geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt werd geacht voor zijn eigen werk en enkele geduide functies. Vanaf 1 januari 2015 ontving hij opnieuw een WW-uitkering. Op 30 september 2015 meldde appellant zich ziek met beperkingen door alcoholverslaving.

Een verzekeringsarts verklaarde appellant per 3 november 2015 geschikt voor zijn maatgevende arbeid als scheepstimmerman. Het UWV besloot daarom op 27 oktober 2015 dat appellant geen recht meer had op ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond het medisch onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, onder meer dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd en dat meerdere artsen en instellingen dezelfde diagnose hadden gesteld. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak recht op ziekengeld bestaat indien de verzekerde ongeschikt is voor zijn eigen arbeid, maar dat appellant geschikt is voor ten minste één van de functies zoals vastgesteld bij de WIA-beoordeling.

De Raad concludeerde dat de medische rapporten zorgvuldig en gemotiveerd zijn en dat de door appellant overgelegde stukken geen ander licht werpen op zijn ongeschiktheid. De brief van Verslavingszorg Noord Nederland toonde niet aan dat appellant op de datum in geschil niet in staat was zijn maatgevende arbeid te verrichten. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het recht op ziekengeld bevestigd.

Uitspraak

16.7566 ZW

Datum uitspraak: 13 februari 2019
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
31 oktober 2016, 16/714 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Schlepers, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2019. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Schlepers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als scheepstimmerman voor 40 uur per week. Hij heeft zich op 2 januari 2012 ziek gemeld. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Het Uwv heeft vastgesteld dat appellant na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 28 december 2014 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat appellant per 30 december 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Appellant is primair geschikt geacht voor zijn eigen werk. Daarnaast zijn er functies geduid. Vanaf 1 januari 2015 heeft hij weer WW-uitkering ontvangen. Appellant heeft zich op 30 september 2015 ziek gemeld met beperkingen die voortvloeien uit verslaving aan alcohol.
1.2.
Op 19 oktober 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 3 november 2015 geschikt geacht voor de maatgevende arbeid van scheepstimmerman. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 27 oktober 2015 vastgesteld dat appellant per 3 november 2015 geen recht meer heeft op ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW). Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van
21 januari 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 januari 2016 ten grondslag.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat, gelet op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de medische beoordeling volledig en inzichtelijk is gemotiveerd. Appellant heeft geen stukken overgelegd waaruit zou kunnen worden afgeleid dat hij wegens zijn klachten niet in staat is om zijn werkzaamheden te verrichten.
3.1.
In hoger beroep heeft appellant de gronden van het beroep grotendeels herhaald. Hij is van mening dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende en onvolledig heeft gemotiveerd. De rechtbank heeft niet gemotiveerd waarom het tijdsverloop van dertien jaar niet relevant is. De rechtbank heeft bij haar oordeel niet betrokken dat vijf artsen van het Uwv en diverse derden zoals het UMCG en Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) dezelfde diagnose hebben gesteld. De medische conclusies van het Uwv zijn onjuist, evenals de arbeidskundige beoordeling. Appellant kan de geduide functies niet verrichten.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van de verzekerde op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die aan hem zijn voorgehouden bij de laatste vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.
4.2.
Met de rechtbank oordeelt de Raad dat wat appellant heeft aangevoerd geen reden is om hem te volgen in zijn standpunt dat hij niet in staat is zijn eigen werk als scheepstimmerman te verrichten. De verzekeringsarts en verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben zorgvuldig onderzoek verricht en hun bevindingen en conclusies gemotiveerd uiteengezet in de medische rapporten. De gronden en stukken die appellant in beroep heeft ingebracht werpen geen ander licht op de zaak. Appellant heeft een brief van VNN, gedateerd op 24 maart 2016, ingezonden. Uit deze brief blijkt niet dat appellant op de datum in geding niet in staat was zijn maatgevende arbeid te verrichten. In hoger beroep heeft appellant de gronden van het beroep in essentie herhaald en geen nieuwe gronden of medische stukken naar voren gebracht. De Raad volstaat dan ook met te verwijzen naar de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.
5. De overwegingen in 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker, in tegenwoordigheid van G.D. Alting Siberg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2019.
(getekend) R.E. Bakker
(getekend) G.D. Alting Siberg
md