ECLI:NL:CRVB:2019:683
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen werk als scheepstimmerman
Appellant, werkzaam als scheepstimmerman, meldde zich op 2 januari 2012 ziek en ontving destijds een WW-uitkering. Het UWV stelde vast dat hij per 28 december 2014 geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt werd geacht voor zijn eigen werk en enkele geduide functies. Vanaf 1 januari 2015 ontving hij opnieuw een WW-uitkering. Op 30 september 2015 meldde appellant zich ziek met beperkingen door alcoholverslaving.
Een verzekeringsarts verklaarde appellant per 3 november 2015 geschikt voor zijn maatgevende arbeid als scheepstimmerman. Het UWV besloot daarom op 27 oktober 2015 dat appellant geen recht meer had op ziekengeld op grond van de Ziektewet. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en vond het medisch onderzoek zorgvuldig en gemotiveerd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, onder meer dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd en dat meerdere artsen en instellingen dezelfde diagnose hadden gesteld. De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak recht op ziekengeld bestaat indien de verzekerde ongeschikt is voor zijn eigen arbeid, maar dat appellant geschikt is voor ten minste één van de functies zoals vastgesteld bij de WIA-beoordeling.
De Raad concludeerde dat de medische rapporten zorgvuldig en gemotiveerd zijn en dat de door appellant overgelegde stukken geen ander licht werpen op zijn ongeschiktheid. De brief van Verslavingszorg Noord Nederland toonde niet aan dat appellant op de datum in geschil niet in staat was zijn maatgevende arbeid te verrichten. Het hoger beroep faalde en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het recht op ziekengeld bevestigd.