ECLI:NL:CRVB:2019:678
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, voormalig productiemedewerker, meldde zich ziek met rug- en schouderklachten en later ontstonden hand- en knieklachten. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek beperkingen vast en kende een WIA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35 tot 80%. Na bezwaar en aanvullend onderzoek werd het percentage bijgesteld naar 33,14% en werd de uitkering ingetrokken met een uitlooptermijn.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen en geschiktheid voor geselecteerde functies voldoende waren onderbouwd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat de ernst van zijn klachten, waaronder een pijnstoornis en depressie, was onderschat.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsartsen hadden appellant zelf onderzocht en rekening gehouden met alle klachten en medicatie. De diagnose somatic symptom disorder (SSD) werd gezien als gelijkwaardig aan de eerder vastgestelde pijnstoornis, zonder aanleiding tot meer beperkingen. De arbeidsdeskundige had de geschiktheid voor functies adequaat gemotiveerd.
De Raad concludeerde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht had vastgesteld onder de 35%, en dat de beëindiging van de WIA-uitkering met inachtneming van de uitlooptermijn rechtmatig was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De WIA-uitkering is terecht beëindigd wegens een arbeidsongeschiktheidspercentage van 33,14%, de bezwaren van appellant worden ongegrond verklaard.