ECLI:NL:CRVB:2019:613
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand en terugvordering wegens onduidelijke financiële situatie
Appellanten ontvingen sinds juli 2015 bijstand op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam stelde vast dat er contante stortingen en bijschrijvingen op de bankrekening van appellanten waren, die niet waren gemeld en waarvan de herkomst onduidelijk bleef. Appellanten verklaarden dat zij als tussenpersoon optraden voor het bedrijf van de broer van appellant, maar konden dit niet met objectieve stukken onderbouwen.
Het college trok de bijstand per juli 2015 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat appellanten de inlichtingenplicht hadden geschonden en onvoldoende duidelijkheid hadden verschaft over hun financiële situatie. In hoger beroep voerden appellanten aan dat zij alleen de financiële zaken van de broer behartigden en verwezen naar een verklaring van de bedrijfsleider, maar de Raad oordeelde dat deze verklaring niet objectief en verifieerbaar was.
De Raad bevestigde dat de inlichtingenplicht objectief is en dat morele verplichtingen niet tot uitzondering leiden. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand en terugvordering worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht en onduidelijke financiële situatie.