ECLI:NL:CRVB:2019:588
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering en terugvordering wegens op geld waardeerbare werkzaamheden in pizzeria
Appellant ontvangt sinds 1993 een WAO-uitkering en toeslag. Na inspecties in de pizzeria van zijn zoon in 2015 stelde het UWV vast dat appellant van oktober 2014 tot oktober 2015 gedurende 24 uur per week op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte, gewaardeerd op het wettelijk minimumloon. Het UWV verlaagde daarop de WAO-uitkering en herzag de toeslag, met terugvordering van ruim €9.000.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond en oordeelde dat de werkzaamheden, waaronder openen en sluiten van de pizzeria, toezicht houden en loon uitbetalen, een reële loonwaarde vertegenwoordigen. Appellant voerde aan dat hij slechts incidenteel hielp zonder betaling en dat culturele omstandigheden hem verhinderden een vergoeding te vragen, maar dit werd verworpen.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De verklaringen van appellant zelf onderschrijven dat hij structureel werkzaamheden verrichtte die normaal gesproken betaald worden. Er was geen sprake van een dienstbetrekking, maar wel van op geld waardeerbare arbeid. De Raad vond geen dringende reden om van terugvordering af te zien, ondanks de financiële gevolgen voor appellant, omdat deze niet voldoende onderbouwd waren.
De Raad concludeert dat de WAO-uitkering en toeslag terecht zijn herzien en de terugvordering terecht is. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; verlaging WAO-uitkering en terugvordering bevestigd.