ECLI:NL:CRVB:2019:566
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek wegens arm-, pols- en psychische klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde na medisch en arbeidskundig onderzoek vast dat haar arbeidsongeschiktheid 4,23% bedroeg, waardoor geen recht op uitkering ontstond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen correct waren vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Ook werd geoordeeld dat de diagnose nekhernia geen aanleiding gaf tot meer beperkingen en dat de arbeidsdeskundige de belastbaarheid juist had ingeschat.
In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen groter waren en dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met medicatie en bijkomende klachten. Zij overlegde diverse medische stukken ter onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze stukken geen nieuwe objectieve informatie bevatten over haar gezondheid op de datum in geding en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV zorgvuldig en juist had gehandeld.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.