Appellante, werkzaam als commercieel medewerker, viel uit wegens vermoeidheids- en pijnklachten na een doorgemaakte Q-koortsinfectie. Het UWV stelde aanvankelijk vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees een WIA-uitkering af. Appellante ging in bezwaar en beroep, waarbij een deskundigenrapport een maximale werktijd van vier uur per dag met meerdere rustpauzes adviseerde.
De Raad vroeg een multidisciplinair onderzoek aan, dat bevestigde dat appellante door chronisch vermoeidheidssyndroom een urenbeperking en frequente rustmomenten nodig heeft. Het UWV had deze beperkingen ten onrechte niet volledig in de Functionele Mogelijkhedenlijst vastgelegd. De Raad oordeelde dat appellante volledig arbeidsongeschikt is en dat deze arbeidsongeschiktheid duurzaam is, omdat geen behandelmogelijkheden tot verbetering binnen afzienbare tijd aanwezig zijn.
De Raad vernietigde het bestreden besluit, herroept het eerdere besluit en stelt vast dat appellante met ingang van 1 juli 2015 recht heeft op een IVA-uitkering. Tevens veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.