ECLI:NL:CRVB:2019:538
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand na niet verschijnen en niet overleggen gevraagde gegevens
Appellant is op 18 maart 2016 uitgenodigd voor een gesprek op 22 maart 2016 in het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand, waarbij hij tevens werd verzocht bepaalde gegevens, zoals bankafschriften, te overleggen. Appellant is niet op het gesprek verschenen en heeft de gevraagde gegevens niet overgelegd. Hij stelde dat dit te wijten was aan zijn claustrofobie, maar heeft dit niet met medische stukken onderbouwd. Het college was daarom bevoegd het recht op bijstand vanaf 22 maart 2016 op te schorten.
Vervolgens is appellant uitgenodigd voor een gesprek op 24 maart 2016, waarbij hij wel bij de receptie verscheen en stukken afleverde, maar niet het gesprek binnen het gebouw aanging, ondanks het aanbod van een open ruimte. Ook hier heeft appellant geen medische onderbouwing gegeven voor zijn weigering. Daarnaast heeft hij geen gebruik gemaakt van de geboden mogelijkheden om het verzuim te herstellen op 1 en 7 april 2016. Het college was daarom bevoegd de bijstand met ingang van 22 maart 2016 in te trekken.
Appellant heeft geen zelfstandige beroepsgronden tegen de terugvordering van de bijstandskosten over de periode van 22 tot en met 31 maart 2016 aangevoerd. De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2017. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De intrekking van de bijstand wordt bevestigd wegens het niet verschijnen op gesprekken en het niet overleggen van gevraagde gegevens zonder medische onderbouwing.