ECLI:NL:CRVB:2019:53
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over 39% arbeidsongeschiktheid en recht op loongerelateerde WGA-uitkering
Appellante was werkzaam als medewerkster in een restaurant en meldde zich ziek wegens fysieke en later ook psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering gebaseerd op 39% arbeidsongeschiktheid. Appellante maakte bezwaar tegen deze mate van arbeidsongeschiktheid, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsartsen een volledig beeld hadden van de medische situatie. De rechtbank vond dat de beperkingen juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische klachten en medicatie bijwerkingen onvoldoende waren meegewogen, evenals haar lichamelijke aandoeningen zoals de ziekte van Dupuytren, artrose, en schouderklachten. De Raad concludeerde echter dat de psychische behandeling pas na de datum in geding was gestart en dat de verzekeringsartsen de beperkingen op de juiste wijze hadden vastgesteld. De aanvullende medische informatie betrof vooral de situatie na de datum in geschil.
De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de functies passend zijn en dat de mate van arbeidsongeschiktheid terecht is vastgesteld op 39%. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de vaststelling van 39% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.