ECLI:NL:CRVB:2019:52
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor laatst verrichte arbeid als beheerder
Appellant, voormalig beheerder van gebouwen in cultureel werk, meldde zich ziek met vermoeidheidsklachten en ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het UWV stelde vast dat appellant per 4 maart 2013 geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid en beëindigde het recht op ziekengeld. Appellant maakte bezwaar en startte een gerechtelijke procedure.
De Centrale Raad van Beroep benoemde deskundigen die onderzoek deden naar de medische situatie van appellant, waaronder internist, vaatchirurg en verzekeringsarts. De deskundigen concludeerden dat ondanks de vermoeidheidsklachten en de diagnose CVS, er geen objectief medisch bewijs was dat appellant niet in staat was zijn werk te verrichten. De klachten waren onvoldoende om een urenbeperking te rechtvaardigen.
Appellant voerde aan dat een psychologisch aanvullend onderzoek nodig was, maar dit werd door de deskundigen en de Raad niet gegrond bevonden. De Raad volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundigen en het UWV dat appellant geschikt is voor de maatgevende arbeid. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd omdat appellant geschikt is voor zijn laatst verrichte arbeid.