ECLI:NL:CRVB:2019:496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld na eerstejaars ZW-beoordeling
Appellante, laatstelijk werkzaam als medewerkster binnendienst, meldde zich ziek op 13 november 2014. Het UWV beoordeelde haar recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet na een eerstejaars ZW-beoordeling waarbij functionele mogelijkheden werden vastgesteld met inachtneming van haar diagnoses overig perifeer zenuwletsel en whiplash letsel.
De verzekeringsartsen concludeerden dat appellante geen urenbeperking hoefde te worden opgelegd en dat zij nog 97,32% van haar maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV beëindigde daarom haar ziekengeld per 13 december 2015. Appellante maakte bezwaar en beroep, maar de rechtbank verklaarde haar beroep ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies geschikt.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij lichamelijk en psychisch verder beperkt was dan aangenomen, met verwijzing naar medische stukken na de datum in geding. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat deze latere medische informatie niet relevant was voor de peildatum en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en overtuigend was uitgevoerd.
De Raad bevestigde dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies medisch geschikt waren en dat het hoger beroep niet slaagt. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd.