ECLI:NL:CRVB:2019:471
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling volledige arbeidsongeschiktheid wegens methemoglobinemie na onvoldoende motivering UWV
Appellante, laatst werkzaam als bloemensorteerder, meldde zich ziek met klachten van het bewegingsapparaat en kreeg de diagnose methemoglobinemie tijdens een ziekenhuisopname. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 100% vast voor de loongerelateerde WGA-uitkering, maar later een mate van minder dan 15%, wat leidde tot bezwaar en een herziening naar 36,04%.
De rechtbank vernietigde dit besluit wegens onvoldoende motivering over de blootstelling aan methemoglobine-uitlokkende stoffen in de functies waarop de beoordeling was gebaseerd. In hoger beroep betoogde appellante dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met haar medische beperkingen en de mogelijke blootstelling aan schadelijke stoffen, terwijl het UWV stelde dat beschermende middelen voldoende waren.
De Raad oordeelde dat de functie medewerker tuinbouw niet als passend kon worden beschouwd vanwege mogelijke blootstelling aan uitlokkende stoffen, en dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd dat deze stoffen niet in de andere functies voorkomen. Gezien de omstandigheden stelde de Raad de mate van arbeidsongeschiktheid per 19 november 2015 op 100% en veroordeelde het UWV in de proceskosten.
Uitkomst: De mate van arbeidsongeschiktheid van appellante is per 19 november 2015 vastgesteld op 100%.