ECLI:NL:CRVB:2019:447
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering na eerstejaarsbeoordeling
Appellant, werkzaam als steigerbouwer, meldde zich ziek met spannings- en rugklachten en ontving aanvankelijk ziekengeld. Na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling (EZWb) oordeelde een verzekeringsarts dat appellant belastbaar was met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst. Een arbeidsdeskundige selecteerde vier geschikte functies, waaruit bleek dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen. Het UWV besloot daarom de ziekengelduitkering te beëindigen.
Appellant maakte bezwaar en ging in beroep, stellende volledig arbeidsongeschikt te zijn en dat het rapport van zijn psychiater wel relevant was voor de datum in geschil. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en de geselecteerde functies passend.
In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef de motivering van de rechtbank. Het rapport van de psychiater bevatte geen nieuwe informatie die tot andere beperkingen zou leiden. Het UWV had de beperkingen en medicatie van appellant adequaat betrokken bij de beoordeling. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV de Ziektewetuitkering terecht heeft beëindigd.