ECLI:NL:CRVB:2019:443
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ziekengeld wegens verdiencapaciteit boven 65 procent maatmaninkomen
Appellant, werkzaam als schoonmaker in twee dienstverbanden, meldde zich ziek wegens schouder-, arm- en rugklachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling stelde een verzekeringsarts vast dat appellant belastbaar was met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst. Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant 100% van zijn maatmaninkomen kon verdienen in andere functies. Het UWV beëindigde daarom het ziekengeld per 9 januari 2016.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het UWV verklaarde dit ongegrond. De rechtbank bevestigde dit oordeel na een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek en oordeelde dat de beperkingen van appellant niet zodanig waren dat het arbeidskundig oordeel onjuist was. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn beperkingen werden onderschat en vroeg om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de argumenten van appellant juist had beoordeeld en dat de medische informatie die appellant in hoger beroep overlegd had, van na de datum in geding was en geen aanleiding gaf tot twijfel aan het verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van het ziekengeld bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.